Rechtermuisknop

 

  

  
  

Opwijk - Beknopte geschiedenis


Opwijk is een residentiŽle en landelijke gemeente, gelegen in het noordwesten van de provincie Vlaams-Brabant, in de 'Vlaamse ruit', op 20 km van Brussel en Mechelen en op 12 km van Aalst en Dendermonde. Sedert de fusie in 1976 is Mazenzele een deelgemeente van Opwijk, dat nu bijna 12.000 inwoners telt.

De oudste bewoning van Opwijk is te situeren aan de oostgrens met de gemeente Merchtem, bij de Puttenbeek die in de Molenbeek en verder in de Vliet, in de Rupel en de Schelde uitmondt. Op de plaats waar de oude wegen, enerzijds van de Scheldeovergang te Dendermonde en anderzijds van de Denderovergang te Aalst in de richting van de Dijleovergang te Mechelen samenkwamen ontstond er -ten laatste na de Frankische invallen in ca 375- een woonkern met de naam Op-wic (= vicus). Andere Frankische plaatsnamen zijn Heistergem, nu Eeksken (= Haistharingaheim) en Droeshout (= Thrusholt). Merovingisch is de o.a. de plaatsnaam Nijverseel (=Niversala). De H.Drievuldigheidsparochie is waarschijnlijk ook in deze periode ontstaan en ook het eerste kerkje of kapel in de oude dorpskern in het huidige gehucht Klei bij de grens met Merchtem. Uit deze periode dateert ook de naam van de deelgemeente Mazenzele (= Masinsala), gelegen langs de oude baan van Asse naar Dendermonde. De Sint-Pietersparochie van Mazenzele kan even oud zijn maar bleef lang afhankelijk van de parochie Asse. Een groot gedeelte van de oppervlakte van de gemeente was toen al aangewend voor de landbouw, terwijl ten noorden van Opwijk het grote beukenbos Bukenholt lag en ten westen van Mazenzele het Kravaalbos.

Opwijk en Mazenzele behoorden tot de pagus Bracbantensis, het graafschap Ukkel-Brussel en het aartsdecanaat Brussel in het bisdom Kamerijk. Toen op het einde van de 9de eeuw-begin 10e eeuw het Land van Dendermonde gevormd werd kwam Opwijk in het graafschap Vlaanderen terecht. Mazenzele daarentegen bleef bij het Land van Asse, in het hertogdom Brabant.

In de middeleeuwen ontstond meer in het midden van de gemeente een nieuwe dorpskern met een Borchtcomplex op de plaats waar de heerbaan naar Dendermonde over de dorpsbeek trok. De Borcht bestond uit een motte met een hof, omgeven door grachten en aarden wallen met ernaast een groot landbouwbedrijf (Hof ten Hemelrijk). In een oorkonde van 1108 voor bisschop Odo van Kamerijk stond Adelwidis, vrouw van Dendermonde, haar rechten op de H. Drievuldigheidsparochie af aan het pas opgerichte kapittel van de O.L.Vrouwkerk te Dendermonde. Het oude hofkerkje moet nabij de Borcht en de oude pastorie gestaan hebben.

Er gebeurde een patroonsverwisseling van de H. Drievuldigheid naar Sint Paulus. Bij de uitbreiding van de nieuwe dorpskom in de 12e-13e eeuw werd het Borchtcomplex verlaten voor het nieuwe nabijgelegen handelscentrum aan de steenweg. De kerk werd verplaatst naar dit centrum en in 1410-1420 werd op dezelfde plaats een nieuw gotisch kerkgebouw opgericht.

Het dorp van Mazenzele bestaat uit een kern rond de nog bestaande Dries en een nabijgelegen kern rond de kerk, waarvan het oudste gedeelte uit de 13e eeuw dateert, toen de Sint-Pietersparochie, in 1098 onder het patronaat van de abdij van Affligem, zelfstandig werd.

In Opwijk was de landbouwgrond (leengoederen van het hof van Dendermonde) verdeeld in kleine percelen. Er was weinig grootgrondbezit en geen kasteelheer. Verspreid over de gemeente waren er wel een aantal grote hoeven. In Mazenzele bezaten de abdij van Affligem en het Benedictinessenklooster Ter Rozen in Aalst wel zeer veel grond.

In 1356 viel het Gentse leger Brabant binnen langs Dendermonde en Opwijk en verwoestte de watermolen en misschien ook het oude dorpscentrum op de grens met Merchtem.

Rond 1570 kwam er een einde aan een lange periode van vrede en economische groei. Opwijk telde dan ca 1200 inwoners en Mazenzele ca. 150.

De godsdienstoorlogen troffen Opwijk vooral in 1579 toen het dorp werd ingenomen door een groep 'malcontenten'. Dit Spaansgezind leger trok op tegen de Geuzen in Dendermonde en Gent en stak te Opwijk de kerk en 30 huizen in brand.

Vanaf 1580 volgde een periode van langzaam herstel en economische heropleving. De kerk van Opwijk werd hersteld en -vooral onder pastoor Van Lokeren- begiftigd met een aantal kerkschatten, nieuwe klokken en een orgel. In het dorp werd in 1619 een Gildenhuis gebouwd en in 1629 een nieuwe pastorie.

De aanslepende oorlog met de Noordelijke Nederlanden en -na 1648- de oorlog met Frankrijk bleven een zware -vooral financiŽle- last voor Opwijk. Bovendien kostte een pestepidemie in 1667-1669 het leven aan 752 mensen op een totale bevolking van ongeveer 1700.

In de 18e eeuw onder het Oostenrijks bewind, kende Opwijk opnieuw een periode van vrede en welvaart zodat de bevolking toenam tot ongeveer 2.400. In 1772-1775 werd daarom de Sint-Pauluskerk aanzienlijk vergroot en voorzien van een aangepast meubilair.

De Franse revolutie bracht de afschaffing van vele traditionele instellingen en gebruiken. Opwijk en Mazenzele werden een deel van het Departement van de Dijle, kanton Merchtem. In 1797, bij het begin van de Boerenkrijg, was er enig oproer tegen het Frans bestuur. Van 1797 tot 1802 werd de godsdienstuitoefening verboden en de kerk bleef gesloten tot 1800. De gedwongen conscriptie maakte ook veel slachtoffers, vooral onder het Napoleontisch regime.

Tijdens het bewind van het Koninkrijk der Nederlanden en in de eerste jaren van de Belgische onafhankelijkheid was er opnieuw vrede en meer welvaart. Daarop volgde in 1845-1850 de zwartste bladzijde uit de geschiedenis van Opwijk: door de mislukking van de (aardappel)oogst en de economische crisis in de tekstielsector was er bitter armoede bij 840 personen op een bevolking van 3.400. Hierdoor verslechterde de gezondheidssituatie en brak er een epidemie van dysenterie uit met 700 zieken en 97 doden. De lokale overheid kon de nood slechts weinig lenigen door aan 210 gezinnen steun te verlenen en door een 'spinkamer' op te richten om mensen tewerk te stellen. Deze noodsituatie was de aanleiding tot de oprichting in Opwijk van de congregatie van de zusters van St.-Vincentius a Paulo, die instond voor ziekenzorg en onderwijs.

De economische situatie verbeterde geleidelijk vanaf 1850. Tot de eerste wereldoorlog was Opwijk hoofdzakelijk een agrarische gemeente. De aanleg van de spoorwegen Brussel-Dendermonde en Aalst-Londerzeel brachten de vestiging mee van enkele fabrieken en waren de aanzet van de pendelarbeid, vooral naar Brussel. De bevolking groeide aan tot 5.000 inwoners.

Bij het begin van de eerste Wereldoorlog lag de gemeente enige tijd in de gevechtszone maar er was slechts ťťn dodelijk burgerslachtoffer. Tijdens de oorlogsjaren deelde de gemeente in het leed van de bezetting en de mobilisatie (een dertigtal oorlogsslachtoffers). Ook tijdens de tweede wereldoorlog bleef de bevolking niet gespaard van het oorlogsleed.

Na de tweede wereldoorlog veranderde Opwijk geleidelijk van een zuiver landelijke gemeente naar een landelijk-residentiŽle gemeente. De land- en tuinbouw verloor aan economisch belang. Meer en meer mensen vonden werk in de industrie en in de dienstensector, niet in de gemeente zelf maar vooral in de Brusselse regio. Daardoor verdubbelde de bevolking in de 20e eeuw.

Op 1 januari 1976 fusioneerden de gemeenten Opwijk en Mazenzele tot de nieuwe gemeente Opwijk (K.B. 17 sept. 1975, wet van 30 december 1975).

   Jan MEEUSSEN

De dorpskom van Opwijk begin 18e eeuw, met de omwalde Borcht (o) aan de Asbeek (6), naast het Hof ten Hemelrijk (p) en de oude pastorie (r).


www.heemkringopwijk.be - Print:
© Heemkring Opwijk-Mazenzele (HOM) 1999-