Aternatief geldig in de meeste browsers: sneltoets Ctrl+F 

Info rechtermuisknop

Pagina voor
of na

  

  

Open Monumentendag 2003 'Steen'


“Steen” in de toponymie (= plaatsnaamkunde) van Opwijk

In veel gevallen bewaren de toponiemen (plaatsnamen) elementen van de geschiedenis die nergens anders tot uiting komen. Hun verklaringen dragen enorm bij tot de kennis van ons (lokaal) verleden.
Voor de verklarende lijst van onderstaande Opwijkse toponiemen rond het thema “steen” werd in hoofdzaak gebruik gemaakt van de publicatie Toponymie van Opwijk door dr. Jan Lindemans (1930).
De ingesprongen teksten werden dan ook letterlijk (wel aangepast aan de hedendaagse schrijfwijze) overgenomen uit dit onvolprezen wetenschappelijk werk van Jan Lindemans.
De nummering vóór de beschrijving is het volgnummer in de Toponymie van Opwijk. De aanduiding tussen haakjes achter dit nummer verwijst naar de plaats van het percelen of de toponymische entiteit op de bijhorende toponymische kaart. De citaten uit de bronnen zijn in schuinschrift geplaatst.
In de beschrijvingen werden de volgende afkortingen (in veel gevallen gevolgd door een jaartal) voor volgende bronnen gebruikt:

A

=

archief van de Armentafel (H. Geesttafel)

B

=

gemeentelijke Atlas der Buurtwegen (1843-1846)

C

=

oude (pré-)kadasterboeken (1640 en 1725-1826)

F

=

feodaal archief

G

=

schepengriffie

K

=

hedendaags kadaster (begin 19e eeuw)

L

=

recente officiële lijsten (stratenlijst, kiezerslijsten,…)

M

=

militaire kaarten

P

=

parochiaal kerkarchief

Popp

=

kadasterkaart Popp (ca. 1860)

R

=

dominiale rentenboeken

S

=

straatschouwingen 18e eeuw

V

=

volksmond

Vdm

=

kadastrale atlas Van der Maelen (1847)

W

=

gemeentelijke atlas van de waterlopen

Z

=

rchief van Zwijveke

Aard van de bodem

In de bodem van Opwijk vindt men Wemmeliaanse zavel en Assiaanse leem (in het plaatselijk dialect klei, kleem of potaarde genoemd).
De zware leem in het zuiden van de gemeente gaf aanleiding tot verschillende plaatsnamen met Klei en Potaarde.

741. KLEI 1 (K 7): Gehuchtnaam: aen de cleije, G. 1596, F. 1775; op de cleije, pass. 17e-18e e.; de Claye, een van de zeven gehuchten cit. ap. Van Gestel; cleye, cleij, pass. 19e e.; op de klei, V.
Aanvankelijk diende de naam voor een ledig pleintje op de Heirbaan, ter hoogte van de Watermolen, thans privaat bezit : het ghemeene plaetsken genampt de quaede cleye, C. 1640; de leghe cleye, A. 1644.

742. KLEI 2 (D-E 8): an de cleye te Droeshout, P. 1556; aen de cleye comende jeghens het mertensveld, G. 1572; de Cleye P. 1623.
Percelen in het Mertensveld, langs de straat te Droeshout.

743. KLEI 3 (E 8): de quaede cleye, C. 1640.
Percelen bouwland te Mansteen, in het Kleiveld, of Kleinveld (z.d.w.). Al deze toponiemen duiden op de zware kleigrond aldaar.

744. KLEILOS (J-K 5-6): cleylos, B. nr. 44.
Losweg van de Broevink naar de Kleistraat 1.

745. KLEISTRAAT 1 (D-E 6-8): de cleystrate, R. 1615; te Droeshaute aen de Cleystraete, A. 1624; Cleystraete, S. 1771-82, F. 1775, pass. 17e-18e eeuw; Cleystraet, B. nr. 5.
Straat van Nijverseel naar Droeshout, langs de Klei 2.

746. Klei 2 (K 4-6): Cleystraet, B. nr. 22.
Straat van de Broevink naar het gehucht de Klei, vroeger Bremptstraat en Kapenbergstraat.

747. KLEIWEIDE (E 8): cleye weede, G. 1571.
Perceel weide in Klei 2.

748. KLEIWEG (K 6-7): Cleyeweg, B. nr. 43.
Voetweg over Kapenberg naar de Kleistraat 1.

1187. POTAARDESTRAAT (I 6-7): de Potaerdestraat, B. nr. 8, K., Popp, V.
Gedeelte van de oude Heirbaan naar Mollem langs de Molen- en Opwijkkouter, waar zware kleiaarde bloot ligt (hoogterug).

Vervaardiging van bakstenen

De zware klei werd in putten gedolven en aangewend voor het (ter plaatse) ver-vaardigen van bakstenen. Dit leverde het toponiemen leemput, kareelgelage en kareeloven op.

688. KAREELGELAGE 1 (K 6): het careelgelaghe, G. 1565; Jans skeysers careelgeleghe, G. 1609. – Perceel op Kapenberg, alwaar de put oft wal, C. 1640 thans nog zichtbaar is.
Steenbakkerij, eigendom in de 15e eeuw van Jan de Keyser.

689. KAREELGELAGE 2 (G 6): tcareelgheleeghe, P. 1515, A. 1597; het careelghe-laghe achter de borcht, P. 1545. – Weide achter de Borcht.
Eigendom geweest van pastoor Van der Schueren die er, omstreeks 1420, de bak-steen liet maken die werd gebruikt bij het herbouwen van de kerk. “Die plaats heet sedert onheugelijke tijden het Careelgheleghe, schrijft Pastoor Van Lokeren in zijn Manuale (eerste helft 17e eeuw); bij 't effenleggen van den grond werden, op die plaats, zes of zeven kareelovens blootgelegd … Men vond er kareelsteenen van denzelfden vorm en grootte als die welke aan de kerk verbouwd werden”.

690. KAREELOVEN (G 8): den careelhoven, C. 1640, F. 1775.- Hofstede op de Hulst.
Er is daar een put die een overblijfsel schijnt te zijn van een ouden kareeloven.
895. LEEMPUT (G 8): op langvelde … an den leemputte, G. 1540; op den winckele … aen den calverendans ende aen den leemputte, F. 1775.- Een put waar leem (dial.: = zware potaarde) gestoken werd.

1339. STEENLAND (B 8): landt gheheeten steenlandt commende metter suytwest siden teghen den molencoutere van Baerdeghem, P. 1515; op Steelant, P. 1556, G. 1587, A. 1597, Z. 1659; op Steelandt, A. 1635 en pass. 17e e.; opt Steelandt, A. 1624 en pass. 17e e. – Een partij bouwland aan de Baardegemse grens.

1340. STEENLANDMEER ( B 8): op steelant meersch, G. 1565. – Meers in het Steenland.

1341. STEENOVENWEG (F 9): Steenhovenweg, B. nr. 64. – Veldweg te Droeshout.

1346. STEENVELD (G 7-8): op de hulze aent steenvelt, R. 1615. – Perceel te Hulst. Een plaatsnaam Kareeloven (z.d.w.) aldaar. In “op steenvelt nu 't schinsvelt” (F. 1775), verkeerde lezing, voor sceenvelt, oudere spelling van scheenvelt.

1427. VITSGAARD (H 5): zie Uitschaard.

1382. UITSCHAARD (H 5): den wtschaert, P. 1515; den uutscaert, P. 1515; van den uutschaerde, P. 1556; vitschaert, P. 1595; den uytschaert, P. 1620; de vitsaert, C. 1640; de vitsgaert, C. 1725 en pass. 178-18e e.; in den uitschaert, F. 1775. - Perceel land op de Asbeek.
Vitsgaard (tuin waar vitsen groeien), komt volksetymologisch van Uitschaard, De beteekenis is : «perceel met een uitschaard». Het heeft inderdaad de eigenaardige vorm van een lemmer waar een schaard in is.

De kerkrekening van 1771 zegt dat “op het kerckengoet ghenaempt den vitsaert tot 64000” kareelstenen gebakken werden voor de vergroting van de kerk in 1772-1775.

In het noordelijk deel van de gemeente, waar de grond meer zandachtig is, vindt men de toponiemen: zandhuis, zandput en zavelput.

1534. ZANDHUIS (G 3): in 't santhuijs oost zuijt het meirelevelt ofte dreve, zuyt west de droogheweijde, F. 1775; op 't Jansveldt in den hoeck bij het zanthuijs, F. 1775; anderhalf dachw. genaempt het santhuijs gelegen aen het meerschvelt, F. 1775.
Perceel op 't Merelveld.

1335. ZANDPUT (G 5): den sandeputte, P. 1620.

1336. ZAVELPUT (G 5): den savelputte, P. 1515. – Perceel op de Brugkouter, aan de Heirbaan, waar vroeger zavel geschoten werd. Thans behuisd.

Natuursteen in Opwijk

Nauurstenen als bouwmateriaal van slechte kwaliteit vindt men op ondiepe plaatsen in de meer zandachtige bodem (noordelijk deel van de gemeente). Men noemt die in Opwijk “schoorsteen” of “schorresteen”. Zij werden gebruikt voor de verbetering van aarden wegen of voor de funderingen van huizen. Het toponiem steenpoel bewaart de herinnering aan oude steengroeven. Met de grote Aquafinwerken van de laatste jaren in de gemeente voor de (afval)watercollectors stootte met op een aantal plaatsen op deze “Schoorsteen” .

1342. STEENPOEL 1 (F 4): anderhalf dachw. Op de Cleijne Espe nu genaemt den Steenpoel, noort oost d'heirbaene, oost zuyt 't clooster van Swijvique, zuyt west aen den campstadt ofte meersch van 't hof ten eecken, F. 1775; V. – Perceel in de Peerboom.

1343. STEENPOEL 2 (F 3): op het focxvelt als nu genaempt den steenpoel, F. 1775. – Perceel op 't Foksveld, hetzelfde denkelijk als Foksput.
Plaatsen waar steen (“schorresteen”) “gepoeld” d.i. uit de grond gehaald werd.

Toponiemen van bouwwerken in steen

Toponiemen van bouwwerken in steen vindt men bij steenwegen, bruggen, grenspalen en gebouwen in steen.

Tot diep in de 18e eeuw was de enige echte “steen”weg in Opwijk het vak van de oude heirbaan Dendermonde-Brussel in de kleine dorpskom van die tijd. Om de andere wegen te verbeteren werd er wel steenafval in gestort.

Op het einde van het Oostenrijks regime werd de grote steenweg Brussel-Dendermonde aangelegd, die het westelijk gedeelte van Mazenzele en Opwijk doorkruist. In 1828 was de provinciale steenweg Aalst-Vilvoorde voltooid. De gemeentelijke kasseien volgden dan de ene na de andere. Vandaag zijn al deze kasseiwegen met asfalt bedekt ofwel vervangen door beton.

Steenwegen

319. DROESHOUT STEENENWEG (F-G 6-7), B. nr. 64; 't Steenen wegsken, V. – Voetweg van 't gehucht Droeshout naar het Dorp, belegd met kasseistenen.

437. GROOTE KASSEI (A-D 5-10), V.- Rijksbaan Brussel-Dendermonde.

666. KALKESTRAAT (E-F 5-6), B. nr. 18, L., V. – Naam ontstaan in 't begin van de 19e eeuw; vroeger Kleistraat. Etymologie onzeker. Werden er wellicht kalkstenen in de modderige kleistraat gestort in die tijden ?

667. KALKESTRAATGOOT (E-F 5-6), B. – Naam van drie goten aldaar, onderscheiden als nr. 1, nr. 2, nr. 3 (B).

1347. STEENWEG (G 5): aen den steenwech, F 1440; jeghen den steenwech, P. 1515; den steenwech, C. 1640 en passim 16e-18e eeuw. – Voornaamste straat van het dorp, al vroeg met stenen belegd en gedurende eeuwen de enige gekas-seide straat van de gemeente.

1348. STEENWEGGOOT (G 5): Twee goten met die naam in B.

Aan deze lijst dient ook nog “Stenen wegsken” toegevoegd te worden. Deze benaming wordt nu nog steeds gebruikt voor verschillende voet-(fiets-)wegen in Opwijk.
En dan zijn er natuurlijk ook nog de hedendaagse benamingen van een aantal belangrijke straten: Steenweg (Mazenzele), Steenweg op Aalst, Steenweg op Brussel, Steenweg op Dendermonde, Steenweg op Lebbeke, Steenweg op Merchtem en Steenweg op Vilvoorde.

Bij de toponiemen vindt men de volgende brugnamen:

194. BRUGKOUTER (G-H 4-5): op de brugghe couter, F. 1430; brugghecouter, F. 1473; den brugcouter, G. 1599; op den bruchcouter, P.1595, A. 1597, G. 1597, 1599, 1609, A.1609, 1624 en passim 16e-18e eeuw; daarnaast: op die bruccoutere, teghen den bruccoutere en van den bruckcoutere, P. 1515; op de bruccoutere, F. 1541; op den bruccoutere, G. 1570 en passim 16e eeuw; - op den brouckcoulter, C.1640: op den brouckcauter, R. 1615; op den broeckcauter, C. 1725 en F. 1775 heeft 7 maal brughcauter, 1 maal broeckcauter; nu immer Broekkouter.- Grote partij bouwland naast het dorp, tussen Neervelde kouter en ten Broeke.
De oorspronkelijke naam is zonder twijfel Bruggekouter. Het is de moeite waard er de aandacht op te vestigen hoe hier de volksetymologie, geholpen door phonetische wetten, twee plaatsen die bijna naast elkander liggen, onderling van naam deed verwisselen. Het Bruekeneveld (Broekveld) werd Bruggeneveld (Brugveld) en de Brugkouter werd Broekkouter. – Brugkouter is niets anders dan de oude dorpskouter van de verdwenen parochie Reingarsbrugge. De brug die aanleiding gaf tot de naam van de parochie is deze over de Asbeek aan de Steenweg (nu Gasthuisstraat).

417. GILLE AELBRECHT BRUG (J7), B.- Brug over de Molenbeek aan Gillis Aelb-recht's hofstede (1847). Hetzelfde als Steenenbrug 2.

707. KEMMEKENBRUG (I 5), B. – Brug aldaar.

727. KERSVELDBRUG (D 6): kerseveldbrug, B. – Brug over de Nijverzeelbeek aan 't Kersveld.

770. KLUISBRUG (D 2): Kluysbrug.- Brug over de Kluisbeek aan de Heirbaan.

953. MANSTEENBRUG (J 8), vroeger Mansteengoot, B. – Nieuwe brug over de Puttenbeek, te Mansteen.

1183. PONT DU BOURG (G 5), B. – Brug in het dorp. Aen de brugghe van den steenwegh, A. 1624.

1310. SPECHTBRUG (H 3): aen de speckbrugghe, F. 1775. - Brug te Specht.

1333. STEENEN BRUG (D 6) 1. – Brug over de Kwikborrebeek te Nijverseel, vermeld in R. 1615.

1334. STEENEN BRUG 2 (J 7): prope ponte quondam lapideum (Obit. Coll. Termonde XIVe e.); meirsch aen de steene brugghe aen de strate. Tr 't clooster van Ste Bergitte, R. 1615, R. 1750. – Brug over de Molenbeek aan de goederen van Zwijveke.

De stenen grenspalen, stichels (slagbomen die een veld afsluiten) en steenputten in de toponymie van Opwijk zijn:

159. BRABANTSCHE STEEN (G2): 86 roeden gel. Te Nuwenhove … jeghens den brabantschen steen, G. 1574.- Een grenspaal op de Brabantse beek.

952. MANSTEEN (I-K 8-9): te Mansteene, F. 1430, P. 1515, passim 16e eeuw; op den mansteen, C. 1640; den wijck van Mansteen, C. 1640; Mansteen, passim 17e-18e eeuw, B., V., L. – Een gehucht ontstaan langs de heirbaan naar Mollem, waar de Molenbeek en de Puttenbeek deze baan kruisen.
Een geslacht van Mansteene bestond te Opwijk reeds in het begin van de 14e eeuw (Arnout van Mansteene, hoofd van een staak in het Domaniaal Rentenboek).
De verklaring steen= stenen woning, kasteel, moet uitgesloten worden, daar geen enkele historische bron (en wij zijn ingelicht tot de 14e eeuw) daar enig gewag van maakt. Wel heeft op dit gehucht altijd een belangrijke hofstede gestaan (wieg van het geslacht van Mansteene), doch een “steen” blijkt deze nooit geweest te zijn. – Het Domaniaal Rentenboek van 1615 vermeldt, bij de gronden, rentabel onder de staak van zekere Willem Man: een half dachwant ghelegen in den steen, zonder verdere aanduidingen. Men zou kunnen geneigd zijn Mansteen te verklaren als “Willem Man's steen”. Doch het geslacht van Mansteene bestond voor Willem Man's tijd. De verklaring moet dus elders gezocht worden.- De Mansteen die zijn naam aan het gehucht gaf zal wel een grenssteen geweest zijn. De grenssteen zal hier bepaaldelijk gestaan hebben aan de heirbaan naar Mollem; dit zal des te meer noodzakelijk geweest zijn daar hier noch gracht, noch ander natuurlijk verschijnsel, de grens met Merchtem aanduidt.

1028. MIJLSTEEN (I 8): te Mansteen, op 't groot velt daer den mijlsteen staet, F. 1775. – Een mijlsteen op de heirbaan naar Mollem en Brussel. Vgl. Tweemijlsteen.

In de kerkrekening van 1600 is vermeld: “Ontfaen van Hans Zeghers alis Beirens eenen grooten 't sjaers sprekende op denzelfs Hans stede te mansteene zeer omtrent den tweeden mylsteen.

1328. STEEN 1 (G 2): 86 roeden geleghen te Nuwenhove aen de hofstede Gillis van Nuenhove ende jegens den brabantschen steen, G. 1574; 2 ½ dachw. meersch gen. den grooten Coolsop het kerckengoet ghenaempt den vitsaert tot 64000meersch paelende noort de beke van auts geheeten den Steen, F. 1775. – Grenssteen op de grens met Buggenhout, vroeger Brabant.

1329. STEEN 2 (I 4): anderhalf dachwant gheleghen an den steen, F. 1430. – Grenssteen op de grens met Merchtem aan de Pelgrimsweg.

1330. STEEN 3: een half dachw. Ghelegen in den steen, R. 1615. – Ligging onzeker; waarschijnlijk in Steenland.
Verder treft men steen aan in de samenstelling Mansteen, ook een grenssteen (zie boven). Nog, als eerste lid, in de samenstelling Steenland, akkerland op de Baardegemse grens.

1335. STEENEN STICHEL 1 (H 8): op de mulencoutere aen de steenen stichele, G. 1599; opt Schinsvelt aen het cautergat en den stichel, oost meulencauter, zuyt den aelsterschen heerwegh, F. 1755.

1336. STEENEN STICHEL 2 (F 3): op het focxvelt aen den steenen stichel, F. 1775.
Stichel = slachboom. Hier: stichel op stenen standaard.

Aan dit lijstje kunnen wij best ook de Vlaamse Staak toevoegen. Hij staat niet vermeld in Jan Lindemans Toponymie van Opwijk, vermits hij nog juist op Lebbeeks grondgebied staat.
Deze grenspaal duidt langs de Gewestweg N47 (Brussel-Asse-Dendermonde-Lokeren) de grens aan tussen de provincies Oost-Vlaanderen (Lebbeke) en Vlaams-Brabant (Opwijk). Hij staat aan de westzijde van de Steenweg op Dendermonde (Opwijk-'t Luik) - Brusselsesteenweg (Lebbeke), aan de rand van de (daar ingebuisde) Klokbeek (gemeentegrensbeek). De grenspaal in blauwe hardsteen werd in 2000 stuk gereden. Het Oost-Vlaams provinciebestuur restaureerde met zorg het klein monument. Op zondag 15 juni 2003 werd de “Vlaamse Staak” opnieuw officieel onthuld. Zie de bijdrage De “Vlaamse Staak” gerestaureerd, door Maurice Willocx, in HOM-tijdschrift 2003-2, p. 26-28.

Op een totaalkaart Opwijk, einde 17e-begin 18e eeuw (“Ve Caerte”) staat op de grens van Opwijk (graafschap Vlaanderen) en Mazenzele (hertogdom Brabant), in de Mazelkouter, een “pael Steen” aangeduid.

Stenen gebouwen

De gebouwen in de toponymie van Opwijk, zijn de Borcht, de kerken, kapellen en pastorie, de herenwoningen, molens,... Wij kunnen veronderstellen dat zij van steen waren (zijn). Een selectie:

139. BORCHT (G 5): die borch, K. 1515; de borcht, P. 1545 en passim 16e-19e eeuw; de burght, F. 1775; V.
Een omwalde hofstede, gelegen in het dorp, aan de Asbeek.
De primitieve borcht of kasteel werd waarschijnlijk vernietigd gedurende de oorlogen tussen Vlaanderen en Brabant. In de 17e eeuw, en wellicht vroeger, vinden we de schepengriffie gevestigd op die plaats. Zij bleef er tot het einde van het Oud Regiem, alhoewel de borcht steeds eigendom was van griffiers. De wallingen werden in de 19e eeuw gedempt.

359. EERSTE STEEN.- Herberg te Droeshout, aan de Kerk; bedoeld als “eerste steen”, eerste gebouw, van de nieuwgestichte parochie.

447. GULDENHUIS (G 5): het guldenhuys, C. 1640 en passim 17e-18e eeuw, V.- Lokaal van de Gulde van den edelen handtboge van Sinte Paulus, gebouwd in 1619.

699. KATHOLIEKE SCHOOL (F 5).- School opgericht gedurende de “schoolstrijd”, thans aangenomen meisjesschool van de Zusters.

710. KERK. St.-Pauluskerk, oude parochiekerk van Opwijk.
St.-Jozefkerk, nieuwe parochiekerk onder de benaming Kerk van Droeshout, voor de gehuchten Droeshout, Hulst, Langveld, Waaienberg, Paddebroeken en Mans-teen.

714. KERKENHUIS (G 5): der kercken stede, P. 1515; an der kercken huys, G. 1572; het kerckenplaetsken, P. 1627. Huis toebehorend aan de kerk, gebruikt in de 16e-17e e. nu eens als onderpastoorshuis, dan eens als school.

733. KINTSKAPEL (D 10), V. – Kapel ter ere van St.-Rochus, opgericht door “Juffrouw 't Kint”, in 1770, op haar landgoed.

765. KLUIS 1 (D 2): neffens de cluse, F. 1440; aen de cluse, G. 1450; empres la Cluyse theysterghem, F. 1473; gisant a la cluyse, F. 1473; die cluyse van Sint Pieters te Heisterghem, P. 1515; lant aen St. Pieters capelle genaempt de cluyse, G. 1598; stuck lants gheleghen achter die cluyse buten den bijvanck oft strate commende metter noordsiden jeghen cappellevelt ende leyt buten den berne van den voerschreven velde, P. 1515; aen de cluyse, G. 1609; daer de cluyse placht te staen, F. 1775. - Oude St. Pieters Kluis te Heistergem.

760. KLOOSTER (F 6).- Moederhuis van de Zusters van de H. Vincentius à Paulo van Opwijk. Toen de Zusters een nieuw gebouw betrokken kreeg dit de naam van Nieuw Klooster. Het oud klooster heet gewoonlijk “Het Gasthuis”.

788. KOSTHUIS (G 5) .- Gedeelte van het gasthuis waar betalende kostgangers opgenomen worden.

789. KOT, T' (G 5) .- Plaatselijk arrestantenhuis.

1120. OUDE PASTORIJ (G 6), V. – Voormalig pastoreel huis, nu boerenwoning.

1325. STATIE (G 4). – Station op het kruispunt van de spoorwegen Brussel-Dendermonde en Antwerpen-Aalst.

1337. STEENEN VLEUGE ( J 7): weede ghenaempt de steene vleughe, G. 1598; hofstede de steenen vleughe, C; 1640, C. 1725; het vleugsken, V. – Hofstede aan de Molenbeek.
Er heeft aldaar een vleug of vogelkooi bestaan waar valken gekweekt werden voor de jacht. De verkoopakte van 1572 beschrijft de stede als volgt: Jonckeer Philips van Royen heeft hem wel ende wettelijck onterft van sijn een vloghe ende andere huysen daerop staende metten gronde daeraene clevende so iei gestaen ende geleghen es binnen deser parochie comende metter eender syde aen de beke loo-pende neven Mr Jan Lupaerts goet ende metter ander syden aent goet van den goidshuyse van Swyveke aen den kerken bogaert ende spraeters veldeken. S. 1572.

1372. TRAPSTEENEN (G 5): stede aen de trapsteenen ende aen de borcht, A. 1597. – Lang verdwenen trap van de Kattestraat naar het Kerkhof.

1402. VERBERNDE STEDE 1 (I 10): de verbeerde stede, G. 1586; de boomgaert genaempt de oude hofstede, C. 1640; weyde genaempt de verberde stede, C. 1725; een half bunder van auts genoemt de verbernde stede, F. 1775. – Dit hof, Keysers Boeghof en Hof ten Putte geheten, brandde af in 1555. Zie: ten Putte.
Folkl.: Het volk vertelt dat hier drie kastelen stonden. Voor enkele jaren waren de grondvesten nog zichtbaar.

1403. VERBERNDE STEDE 2 (C 4): in de verberrende stede, R. 1615; een dagw. Op 't royvelt ghenaemt de stede, R. 1750. – Perceel in het Rodeveld. (Hetzelfde als Bruinshof ?)

1463. WAAG, DE (G 5). – Gebouw in het dorp, waar o.m. de publieke waag ondergebracht was.
36. BANMOLEN (K 7). – Volgens een declaratie van 1844 heete de watermolen “van ouds”: bandmeuleken. Een banmolen was een molen waar de bewoners van een bepaald gebied verplicht waren hun graan te laten malen.

923. LINDEMOLEN (D 6). – Windmolen, genaamd naar de linde 2, in 1705 opgericht en omstreeks 1850 verdwenen.

1031. MOLEN. Te Opwijk bestonden de volgende molens:
1 (J 8): Een watermolen op de Puttenbeek, naast het land genaamd Molendijk, verbrand gedurende de oorlog van Lodewijk van Male tegen Brabant en niet heropgebouwd. Zie VERBERNDE MOLEN.
2. (K 7): Een watermolen op de Molenbeek opgericht, in 1402, in vervanging van voorgaande molen. Zie BANMOLEN, STAMPMOLEN, WATERMOLEN.
3. (H 7): De zeer oude windmolen op de Hulst, de HULSTMOLEN, WINDMOLEN.
4. (D 5-6): Een windmolen opgericht in 1705, aan de vierweegse linde te Nijver-seel, de LINDEMOLEN.
5, 6, 7 : Drie stenen windmolens, opgericht in de eerste helft van de 19e eeuw resp. op de Klei (K 7), nabij het dorp (G 5) en in de Nieuwstraat (E 5). Zie STENEN MOLEN (nr. 1331).
8 (G 4): Een houten windmolen opgericht in 1838 nabij het dorp.

Al deze molens verdwenen behalve de watermolen en de stenen molen (onttakeld) in de Nieuwstraat (onlangs ook afgebroken).

1322. STAMPMOLEN (K 7): Watermolen op de Klei, waar vroeger olie gestampt werd.

1331. STEENENMOLEN, naam van verschillende stenen molens.

1332. STEENEMOLENWEG (G 4-5), B. nr. 63.

1401. VERBERNDE MOLEN (J 8): aen den verbeirden muelen, A. 1597; van den watermolen ghenaempt den verberden molen, R. 1750. – Watermolen op de Puttenbeek aan de heirbaan naar Mollem.
Deze molen werd afgebrand “destruit par ceulx de Gand durant la guerre de Flandre”, waarschijnlijk in 1356. Wij vernemen dit uit de vergunningsbrief in 1402 toegestaan aan Jehan Utenzwane om de molen terug op te bouwen mits sommige voorwaarden. De molen werd echter, zoals wij hierboven zagen, elders opgericht. De plaatsnaam Molendijk bewaart nog de herinnering aan de “verbranden molen”.

1479. WATERMOLEN (K 7): watermeulen, watermolen, passim 15e-19e e. – Zie MOLEN.

1513. WINDMOLEN (H 7) . – Gedurende lange jaren (tot 1705) was er maar één windmolen te Opwijk, de molen op de Hulst: den wintmolen, R. 1470; den windtmeulen, R. 1615 . – De tweede was de Lindemolen (1705). In 't begin van de 19e eeuw werden opgericht de stenen windmolens op de Klei (meulen van Mostinckx) en op Brugkouter in 1838, de houten windmolen op Neervelde kouter; omstreeks 1850 de stenen windmolen in de Nieuwstraat (Cisken zijnen meulen, V. ).

Verwijzing naar steenputten

1344. STEENPUTSTEDE 1 (H 10): stede genaempt Steenputstede … jeghens de boschstraete ende jeghens het boschvelt, G. 1574; een dachw. genaempt de steenputstede, G. 1575; weyde gheheeten steenputstede, G. 1601; Steenputtestede oft Steenputteweyde, C. 1640; 2 dagw. Van auts gen. Steenputstede, west de matteweijde, F. 1775. – Perceel te Waaienberg.

1345. STEENPUTSTEDE 2 (G 9): de steenputstede gheleghen te langvelde, G. 1610; behuysde hofstede te Langvelde van auts genaemt Steenputstede, F. 1775.
“Hofsteden waar een steenput was”.

Mazenzele

In zijn Historiek der straten van Mazenzele relateert Leo De Nil twee straten aan “steen” (artikelenreeks in het weekblad De Galm vanaf 1971, gebundeld en heruit-gegeven door Heemkring Opwijk-Mazenzele in 1987).

1. DE STEENWEG. Van de grens van Asse tot deze van Opwijk. Staatsbaan nr. 257.
Lengte 1.275 meter. Breedte 9,10 meter.
Te bereiken langs: Vossestraat en Schaapheusel , Dorp en Molenstraat, Zottegem- en Opwijkstraat.
Eertijds: De Calseyde, 1845; De Kasseyde, 1863; De grote Kasseide, 1896; De nieuwe Steenweg, 1900; De groote Steenweg, 1911; de Steenweg naar Dendermonde, 1930 en de Steenweg, 1940.
De Steenweg werd aangelegd in 1787-1819?. De weg was ongetwijfeld de eerste (en lang de enige) die met kasseistenen was verhard. Hij snijdt Mazenzele zowat middendoor.

13. DE HEERBAAN: Van de grens met Asse tot deze van Baardegem. Weg nr. 10.
Breedte 5,28 meter en lengte 1.539 meter.
Te bereiken langs het Schaapheuzel, de Bosstraat, de Molenstraat en de Zottegemstraat.
Eertijds: de Heerwegh, 1506; de heerbaene, 1531; den Heerwech, 1550; de hertstraete, 1619; de herbane, 1631; de heerstraete, 1651; den herwech, 1654; de eerdebaen, 1670; de herreweg, 1683; den heerweg, 1702; de heirbaene, 1717; s'Heerenstraete, 1746; den Herweg, 1748; den dendermondschen heerweg, 1759; den grooten weg, 1762; de herebaene, 1782; de oude dendermondsche Herbaene, 1821; de heerbaan, 1836; de oude dendermondsche heirbaene, 1843; de aerdebaen, 1846; de oude baen, 1866; de dendermondsche baan, 1868; de Brusselbaan, 1873; de Racaillebaan, 1878; den Brusselweg, 1902; de Bosstraat, 1951; de Heerbaan, 1971.
Het was de oude baan van Brussel en Asse naar Dendermonde. Vroeger grotendeels min of meer verhard met “schorresteen”.

In zijn artikelenreeks beschrift L. De Nil ook de verharding van een aantal Mazelse gemeentestraten met “rebut” of “scherren”. Dit was een afvalproduct van steengroeven, een soort kiezelsteen die veel ijzer bevatte en ongemeen duurzaam was. Op het einde van de 19e eeuw waren schier alle wegen hiermee verhard.

Vanaf eind 19e werden de Mazelse straat (voor de grensstraten in samenwerking met de gemeenten Asse en Merchtem) gekasseid, sommige met oude kasseistenen van de Steenweg.

Voor Mazenzele kunnen wij nog twee toponiemen relateren aan het thema “Steen”.

Kravaal

In zijn Toponymie van Asse (1952) omschrijft Jan Lindemans het toponiem Kravaal als volgt:

485. Kravaal (C-E 3-5): ca 1320 de nemore dicto crevael, — de 40 bonarium nemoris sitis in crevail et nemore ducis prope Assche, L; 1441 nemus nostrum dictum creval continens circiter 77 ½ bonaria, Waut. Env. I 474; 1356 Jan van Curvael, H; ca 1400 Andries van Kervael, D; ca 1400 silvam dictam Kervael, Fl; 1440 cravael, L 1495 75 b. bosch geh. dbosch van der Noot opt creval onder Assche in de prochie van Masenzele, L; 16e-18e eeuw passim Cravael; Cravaal, Mil..
— Groot bos in het grensgebied Asse-Meldert-Mazenzele; hoorde gedeeltelijk toe aan de abdijen Affligem en Vorst, zijnde het voormalig gedeelte van de hertogen van Brabant door hen weggeschonken (a° 1086); en aan de heren tot Asse (dit lag vooral op Mazenzele). Het bos is nog gedeeltelijk bewaard.

De naam werd klaarblijkelijk gegeven door de waalse steenhouwers die de be-langrijke steengroef aldaar ontgonnen op het einde van de 11e eeuw. — De primitieve vorm is niet gemakkelijk vast te stellen : spijt de oudste grafie cre-, zou men even goed een car-, cur- of ker- grafie voor de oudere kunnen houden, daar de plaatsnamen, in familienamen, dikwijls archaïserend geschreven worden. Het is ook niet duidelijk op welke omstandigheid de naam eerst toegepast werd. Het bos zelf is geen vallei. Het is een hoogte (Terrenberg) waarin kleine dellingen, die zelfs nu nog geen afzonderlijke naam hebben. De dichtst bij gelegen vallei is die van de Meldertse beek, waarin het Hof te Putte (bedoeld: de steenput van de abdij Affiigem in de, Mazelgraad, op de zijkant van het bos). Het lijkt waarschijnlijk dat dit hof het eerst met de naam Kravaal aangeduid werd. Het is trouwens aldaar dat het geslacht van Kervael woonde (er was geen ander hof). — Carvâl zou kunnen betekenen “vallei waarin een steengroef ligt”, wat niet de werkelijkheid strookt. Het fr. carrière, komt van lat. quadraria, “plaats waar de steen vierkantig gekapt wordt” (Longnon, 2690, Vincent, Top. Fra., 822). Misschien zei men eerst carrierväl, wat gemakkelijk kon gesyncopeerd worden tot carvâl, waaruit dan verder curvâl en kervael, en met gewone metathese krevael en kravael. Voor ker als mogelijke naam van een steengroef, zie onze suggestie bij Kerkberg. — Er was een ander Kervael te Tervuren (S. Pierren, Hist. de la Forêt de Soignes, I, 18), maar wij we-ten niet of hier een steengroef was. — Indien men cre- voor de primitieve vorm houdt is de etymologie nog moeilijker: aansluiting bij ofr. creus, “uitgehold”, stuit op bezwaren wegens de verdwenen s.

Mazelgraat

De Mazelgraat, een oude ondergelopen steengroef aan de rand van 't Kravaal ligt niet op Mazels grondgebied, maar op de grens van Asse en Meldert, op 200-tal meter ten noorden van de baan van Asse-ter-Heide (Dorpveld) naar Meldert (Putstraat), op ca. 800 m afstand van de Mazelse grens.

In zijn Toponymie van Asse (1952) omschrijft Jan Lindemans het toponiem Mazelgraat als volgt:

569. MAZELGRAAT (C 4): 1722 den Maesel graedt, Kb Af. — Oude steengroef bij 't Kravaal, op de grens Asse-Meldert.

Op deze plaats wordt de sage van de verzonken klok van Mazenzele (een naburig dorp op 2 km in vogelvlucht) gelocaliseerd. — Het tweede lid van de samenstelling is of wel : l. mnl. graet, “trap”, rechtstreeks ontleend aan het Latijn, niet uit een romaans dialect, want dan moesten we greis, greie, of iets dergelijks hebben; het landschap van Mazelgraat vertoont een steile rand, zodat een voetpad aldaar naar Mazel, met trappen uitgewerkt in de rand, wel denkbaar is, maar het bestaat (en bestond) er niet; — 2. of wel mnl. graet, „scherpe rand van iets' (vgl. ruggraat, visgraat, enz.); de betekenis zou dan zijn: scherpe, steile rand van de groef naar Mazel toe, wat inderdaad het geval is.


www.heemkringopwijk.net - Print:
© Heemkring Opwijk-Mazenzele (HOM) 1999-